Peter te Nuyl over de geïnstrumenteerde werkelijkheid

Ik lees nooit romans en kijk zo min mogelijk naar speelfilms.  Ik verdraag de net-alsof wereld slecht. De geconstrueerde nabootsing van de werkelijkheid waarin geen losse eindjes bestaan. Het leven is niet anders dan losse eindjes. Overleven, zo ook kunst maken, is orde zoeken in die chaos. Maar de meeste romans en speelfilms zoeken geen orde in de chaos, maar scheppen eenvoudig een perfecte orde naast de chaos.

5 augustus, Santec, Bretagne, 8.55, bedrand.
Ik hoor: een hond in de verte, zijn geblaf kaatst tegen een muur; mussen, kraaien en meeuwen; landbouwwerktuig in vlagen van zeer ver; een druppende kraan in de badkamer achter mij; kerkklok slaat negen keer, ongeveer in metronoomcijfer 60, met een kaatsing na ongeveer ¼ seconde.

Ik kan naar de hierboven beschreven ochtendgeluiden van een klein dorp in Bretagne op twee manieren luisteren.
Beeldend, anekdotisch, beschrijvend, realistisch.
Muzikaal, abstract.
De eerste wijze is de meest gebruikelijke. Ik hoor een hond en zie direct een hond voor me en stel me de situatie voor waarin die hond blaft. Ik zoek een causaal verband met de andere geluiden (landbouwwerktuig, vogels). Als ik dat verband niet kan vinden sluit ik de andere geluiden uit, ik hoor ze alleen nog ongearticuleerd, ik focus op de hond die ofwel mijn medeleven ofwel mijn irritatie ten deel valt.
De tweede wijze van luisteren heeft mijn voorkeur. Ik luister volstrekt ongefocust, ik hoor alle geluiden in een onderlinge samenhang, die louter muzikaal is. Ik hoor de hoorbare werkelijkheid alsof de wereld gecomponeerd is.
Ik kan deze ochtend in Bretagne en mijn plaats daarin eindelijk begrijpen als ik deze geluiden hoor als een geïnstrumenteerde werkelijkheid.

Na enige tijd op deze muzikale, ongefocuste, niet anekdotische wijze geluisterd te hebben treedt een nog abstractere fase in: niet alleen de anekdotiek achter het geluid verdwijnt, maar ook het automatisme van het benoemen van het geluid verdwijnt. Ik hoor niet meer een hond, ik hoor een geluid dat, aan de betekenis van hond voorbij, een partij is in de partituur van de geïnstrumenteerde werkelijkheid.

Nog langer luisterend treedt een derde fase in: een fase die volgens mij met de microfoon niet is vast te leggen. Ik hoor wat ik niet anders kan beschrijven dan als ‘het basso-continuo’ van de geïnstrumenteerde werkelijkheid. Ik hoor de onhoorbare samenhang van de gehoorde geluiden. De puls, de maat, het ritme waarop de geluiden van hond, landbouwwerktuig, vogels, klok, kraan hun eigen ritme baseren.
De scepticus zal betogen dat voor iemand met enige kennis van moderne muziek iedere chaos wel in enig maatsysteem is onder te brengen. Maar zo is het toch niet.’


(Uit: De Geïnstrumenteerde werkelijkheid, aantekeningen over geluid en hoorspel. Peter te Nuyl, 2003)